206
Maar toen veegde ze beurtelings de regendruppels van haar beide wangen met de rug van haar hand, en met die veeg-beweging schoof ze meteen al dat wikken en wegen uit haar gedachten. Ze ging toch naar huis!
„Hallo!” kwam opeens een stem uit het druppel-gordijn van het fietspad aan den overkant.
Ze stond meteen naast haar fiets, zoodat de fietser, die achter haar kwam, bijna een buiteling maakte en niet veel vriendelijks tegen haar zei.
Die stem! Dat was vaders stem!
Daar kwam vader al dwars de weg over, naar haar toe.
„O, vader!”
Ze stonden elkaar eventjes lachend en blij aan te kijken.
Toen:
„Stap maar weer op.”
Zoo was vader. Zoo was niemand anders op de wereld. Niets anders doen dan je tegemoet fietsen, „hallo!” roepen, en dan „stap maar op” zeggen. Hij hoefde ook niets meer te zeggen. Het was al heerlijk genoeg zoo.
Dat heele stuk lag nog voor haar, bijna de helft van de weg, — en dat hoefde ze nu niet meer alleen te fietsen! Dat kon nu met z'n beidjes: de twee fietsen naast elkaar, nu en dan een enkel