208
„Ja. Mijn jurken worden te kort* Ik heb er twee nog kunnen uitleggen*”
Gelukkig dat ze nu over wat anders praatten* Misschien had vader het niet eens vervelend gevonden, dat ze dat gezegd had van dat thuis-voelen* Misschien vond hij het juist heel best zoo* Ze zag opeens, vóór een bocht in de weg en in de vaart, een schip liggen, dat sprekend op hun schip leek.
„Kijk es, vader!” riep ze.
Hij lachte.
„Dat is het.”
„Zijn we er nu al?”
Ze had er nog lang niet op gerekend. Doordat vader naast haar fietste, had ze niet meer het gevoel gehad, dat ze nog niet bij huis was. En nu ineens: daar lag het vóór haar, met een paar trappen al te bereiken. Ze zette er een vaartje in, keek niet meer naar vader om: haar schip!
Daar had je tante! Daar had je tante! Toch op 't dek, natuurlijk, al regende het ook baksteenen! O, wat heerlijk om weer thuis te zijn!
Ze smeet haar fiets in 't natte gras, en holde de plank over.
„Tante!”
„Meid!”
Ze hielden elkaar bij beide handen, keken elkaar