205
Maar dat hinderde allemaal niet. Ze ging naar huis. En juist dat gordijn van regendruppels maakte het zooveel makkelijker om niet rond te kijken en ongestoord te bedenken, hoe het thuis zijn zou. Hoe tante haar kopje koffie bijna half-vol met suiker zou maken, alleen uit goeiigheid, om haar iets prettigs te doen. Hoe het schip er van binnen uit zou zien, heelemaal onveranderd natuurlijk, want in hun schip veranderden de dingen niet, — daar kwam geen loophek, en Bart bleef Bart heeten. Er was niet eens ruimte om iets te veranderen in hun schip. Zoo klein was het er, zoo knus en vertrouwd...
Ze keek maar nauwelijks genoeg uit om geen ongelukken te krijgen. Hoefde ook niet: er was een apart fietspad, heen en terug. Alleen werd ze van tijd tot tijd ingehaald door een andere fietser, maar daar was ze nog net wakker genoeg voor, om zoo'n belletje achter zich te hooren.
Waar hield ze nu meer van: van haar eigen kamertje, of van haar bedstee in 't schip? Op ’t oogenblik natuurlijk van alles, wat in het schip was, omdat ze er heen ging, — omdat ze het zoo lang niet had gezien ook.
Maar anders? Van het kamertje toch niet? Omdat het mooier was toch niet? Ze vroeg het zich af met een beetje schrik en een beetje schaamte.