202
Alsof niet alles veranderde in de wereld. Alsof de dingen stil konden blijven staan, omdat zij er zich zoo aan had gehecht.
„Wat kijk je beschimmeld! Vind je Jonkie -ponkie geen mooie naam?”
„Jonkie-ponkie,” dacht Jantje hardop. „En vroeger heette hij Knulletje.”
Mevrouw trok haar aan d'r nog altijd hangende vlecht.
„Nog geen haar beter dan vroeger,” zei ze weer. Toen liet Jonkie-ponkie zich hooren. Een volwassen geluid tegen dat wat Jantje van hem kende. Of zou ze zijn stem zoo ontwend zijn? Ze herkende er niets van.
De tusschendeur ging open, en mevrouw haalde een blozend, uitgeslapen jongetje voor den dag. Toen hij een mensch in de huiskamer zag zitten, borg hij zijn ronde kop in moeders hals.
„Hij herkent me niet,” dacht Jantje, „maar ik herken hem ook niet.”
't Was heelemaal geen baby meer, maar een echt klein jongetje. Het zou niets gek lijken, als hij zoo meteen „wie is dat?” zou zeggen.
Jantje stond op en liep naar hem toe. Hij keek stiekempjes, met zijdelingsche blikken vanuit het holletje in moeders hals naar dat vreemde mensch. „Zoo'n praats hoef je niet tegen haar te hebben,”