ig6
Met vader niet, en met een vreemde heelemaal niet. En nu was het ineens zoo gekomen, dat ze met deze vreemde over haar sprak. Maar dan was het geen vreemde meer!
„Als het zooveel jaren geleden is,” zei Jantje langzaam, droomerig, „dan ben je soms zoo bang, dat je moeder vergeet. Want als ik mijn oogen dicht doe, kan ik haar niet eens meer voorstellen.” „Is er geen portret van haar?”
Jantje knikte.
„Thuis. Een klein portretje. Maar het helpt niets. Het is van heel vroeger. Toen zag moeder er nog anders uit dan ik haar ken. Het is van haar trouwdag, geloof ik. En het is erg uitgevlekt ook. Bijna heelemaal geel. Het is moeder niet.”
„Herinner je je nog haar stem? Dan heb je geen portret noodig.”
Jantje deed de oogen dicht. Herinnerde ze zich moeders stem? Stil... nu goed luisteren of ze zich moeders stem nog herinnerde...
Moeder... wat zei moeder? Wist ze nog iets, dat moeder tegen haar zei? Ze had toch zeker wel „Jantje” tegen haar gezegd...
Maar ze hoorde niet „Jantje”, niet met moeders stem.
„Nee,” schudde ze langzaam, verdrietig.
„Is 't al zóó lang geleden?”