HOOFDSTUK XI
Het prettigste van alles waren die paar rustige middagen in de week, als er geen echte keuken-of schoonmaak-werkjes meer waren, en Jantje bij mevrouw in het naaikamertje mocht komen zitten, om te helpen zilverpoetsen, om te stoppen, — om één of ander gezellig zit-werkje te doen.
Er gingen wel eens weken voorbij, dat er niets van kwam. Van die weken, waarvan iedere dag boordevol was. Dan had Jantje het gevoel, dat ze mevrouw in geen jaren gezien of gesproken had, en een beetje jaloersch kon ze dan de kinderen achterna kijken, die maar iederen avond met moeder in de kamer konden zitten praten.
En dan kon weer één middag alles goed maken. Eén middag van korte zinnetjes onder het werk door, van losse vragen van mevrouw, van gretige antwoorden van Jantje. Gretig, — ze wou wel alles, alles van zichzelf aan mevrouw vertellen, maar dan was er haar verlegenheid, en de angst dat ze dingen zou vertellen, die mevrouw niets