193
ervan: dat zoeken, net als vroeger, op school.
Ze ging moe en gelukkig naar bed.
„Nu droomen, dat ik weer op school ben,” dacht ze.
Natuurlijk droomde ze er juist niet van.
Maar wel droomde ze van meester Bos. Hij stond rechtop en lang op het dek van hun schip. Ze wou de loopplank over komen, maar hij wees, dat ze aan wal moest blijven.
Hij lachte onder zijn groote grijze snor. Hij zei:
„Nee, Jantje, nu ben je eenmaal aan wal, — nu moet je zorgen, dat je je er thuis voelt. Maak maar wat goeds van je werk.”
„Van de sommen, meester?” vroeg ze in haar droom.
„De sommen? Dat is je werk toch niet? Dat is alleen maar erg prettig voor je. Van je werk moet je iets goeds maken.”
Toen stond ze niet meer bij het schip, maar op het plaatsje achter de keuken. Ze was hard aan 't boenen en schrobben.
Meester Bos stond nog tegenover haar. Hij knikte en lachte.
„Zoo is ’t in orde,” zei hij.
Aan wal.
13