192
„Nee zeg!” riep Rie, „hij is dadelijk goed!”
„Ja,” knikte Jantje,
Wat kon je daar anders op doen dan bescheiden knikken? O, misschien was ze wel geen van de sommen vergeten!
Ze deden nog twee, drie sommen; de rest moest ze maar van de week maken.
„Geef me maar veel op,” werd ze overmoedig.
En Rie streepte aan, de ééne som na de andere. En een paar taal-oefeningen uit een boekje.
„Nou zeg, ik moet aan ft werk,” zei Rie.
„Goed,” kwam Jantje afwezig. Ze wou nu ook wel graag alleen zijn met wat ze opgekregen had. En dan meteen beginnen. En piekeren over de sommen, die ze niet kende. O, — en volgende week op d'r kop krijgen van Rie, als ze veel fout had...
„Dag,” zei Rie in de deur.
Jantje keek haastig op.
„O, dag!”
En, terug in de gewone wereld, warm en een beetje verlegen:
„Dank je wel, hoor!”
Ze werkte tot ze naar bed moest. Ze kende toch lang niet alle sommen, maar ze zou ze vinden vóór 't een week verder was! Dat was juist het heerlijke