i8g
Als ze iets begon, deed ze het goed, heelemaal. En dit begon ze, met volle ernst.
„Hou je meer van cijfersommen of van denksommen?” vroeg ze dien middag.
Jantje kreeg het zenuwachtige gevoel van vroeger op school, als ze zeker wist, dat ze een beurt zou krij gen.
„Van denksommen.”
Maar toen ze het gezegd had, en Rie al weer weg was, dacht ze: „vroeger hield ik meer van denksommen, — maar misschien weet ik er niets meer van! Had ik maar cijfersommen gezegd!”
En haastig, onder het werk door, riep ze in haar herinnering terug wat voor soorten van sommen er wel bestonden: bakken met inhoud, kapitalen met rente, werken in zoo en zooveel dagen, wegen van A naar B, vaten met kranen, rechthoekige stukken land met slooten, — ja, maar hoe dat allemaal moest, daar wist ze niets meer van.
Een half uurtje zou Rie maar bij haar in de keuken komen vanavond, en dan zou ze haar werk opgeven voor de heele week. O, ze zou direct beginnen met het werk. En dan de eerste avonden zóó doorwerken, dat ze de laatste avonden over had. Waarvoor over? Ze vond het immers prettig om te werken? Och, zóó maar over, alleen om dat gevoel van vacantie te hebben.
Maar waar ze zoo tegen opzag, dat was, dat ze