i88
Daar was hij al terug, triomfantelijk met Rie achter zich aan gesleept.
„Ik kan cTr niet uit wijs!” lachte Rie.
„Ik ook niet,” gichelde Jantje, akelig van verlegenheid.
„Jawel,” wees Herman haar terecht, „jij weet het toch zeker wel?”
En hij herhaalde, met nadruk op ieder woord, omdat je het niet duidelijk genoeg kon zeggen voor twee zulke sufferds:
„Jantje die vindt leeren fijn. En jij bent knap genoeg om haar te leeren. Dus jij moet haar les geven.”
Jantje’s hoofd gloeide. Wat een figuur, wat een figuur! Vooral dat „jij moet”, — het leek warempel net, of zij hem dat zoo gezegd had!
Rie was nu ernstig geworden.
„Echt?” vroeg ze. „Hou je echt veel van leeren?” „Dat wel,” bekende Jantje, „maar dat andere heb ik hem niet gezegd, hoor!”
„Nee, dat snap ik,” lachte Rie. „Ik ken Herman wel! Maar zou je het echt prettig vinden, als ik je...” Toen sprongen er opeens een paar dwaze tranen in Jantje’s oogen, en ze zei heesch:
„Nou, — natuurlijk...”
Rie had oude schoolboekjes uit de kast gehaald.