183
graag gelooven, dat ik me niet vergist had. Want de jongens zijn maar jongens, en Annetje is nog zoo klein, — en dan zou ik ook meteen weten, dat het niet altijd zoo was als met dat meisje. Ik vind het nu wel erg prettig, dat je hier in huis bent.” „Ja?” riep Jantje hardop, verrukt. „Ik ook!” Ze keken elkaar lachend aan, alsof ze elkaar nu pas ontdekt hadden.
Herman was nu besloten om machinist te worden. Schoenenpoetser zoo voor je plezier, dat ging nog, — maar hij wist best, dat je daar niet je kost mee kon verdienen. Als je nou nog lééraar was, zooals vader, dat was tot daar aan toe, — daar verdiende je meer mee dan met schoenenpoetsen. En leeraar zou hij nooit in z'n leven worden. Wat je daar niet knap voor moest zijn! En hij was heelemaal niet knap.
Maar machinist. Een donkerblauwe overall aan hebben, en je zoo zwart mogen maken als je zelf maar wou. Van de ééne rem naar de andere grijpen, met een gefronst gezicht, zooals hij dat wel bij zulke mannen gezien had.
’t Leek hem den laatsten tijd zóó ideaal, ’t hield hem zóó bezig, dat de schoenen er haast door in de verdrukking kwamen, ’t Gebeurde zelfs een avond, dat hij de schoenen vergeten zou hebben,