182
Jantje kon nog maar niet begrijpen, wat dat met haar te maken had. Maar ze vond het erg akelig voor Rie, dat ze zich zoo vergist had. Afschuwelijk, als je dacht, dat iemand je vriendin kon zijn, en het kon heelemaal niet.
„Ze heeft ook allerlei dingen aan de andere meisjes verteld, die ik haar gezegd had. En ik dacht vast, dat ze die vóór zich zou houden.” "Ja?”
„En toen jij hier kwam, vond ik je ook... erg aardig. En toen, de volgende morgen, dacht ik: Daar heb je 't weer. Dadelijk weer zoo'n boel prettigs van iemand denken, en dan weer veel te veel met 'r praten, en dan weer merken, dat het fout was... Snap je een beetje?”
't Was nogal een verward verhaal, — maar toch begon Jantje het te begrijpen. Ze was bang geweest... bang geweest, dat het ook weer zoo tegen zou vallen... en ze had nu flinker willen zijn, en voorzichtiger... Wat jammer, — o, wat jammer!
„Ben je nog bang,” vroeg Jantje, wat verdrietig, „dat ik net ben als — dat meisje van je school?” „Nee,” zei Rie eerlijk. „Nee, nu niet meer. Anders was ik toch niet komen helpen afdrogen?” „Hoe komt het, dat je nu niet meer bang bent?” ,/k Weet niet. Langzamerhand. Ik geloof door Herman, als die van je vertelde. En ik wou zoo