177
het leek niet op het schip van vader. Toch was ze er verschrikkelijk blij mee.
Ja, en dan was er nog Rie.
Ze spraken elkaar weinig, Jantje en Rie. Er was een soort verlegenheid tusschen haar gevallen, sinds dien avond dat ze gelijk naar boven waren gegaan. Eiken avond, als Jantje naar boven ging, dacht ze er aan terug, en hoopte ze bijna onbewust, dat het weer zou gebeuren. Ze waren toch even oud...
Maar geeneen avond gebeurde het meer. Als Rie het eerst naar bed ging, kwam ze om 't hoekje van de keukendeur met een knikje goeienacht zeggen, maar nooit vroeg ze dat, waar Jantje op hoopte: „Ga je ook naar bed?”
En zelf opstaan en tegelijk met Rie naar bed gaan, dat deed ze niet.
Waarom kwam ze ook nooit meer eens praten zooals dien eersten avond, — nooit meer eens vragen naar thuis? Ze wist toch nog lang niet alles, — en zij wist van Rie heelemaal niets. Hoe ze het daar had op school, — of ze het niet heerlijk vond om schooljuffrouw te mogen worden, — want o, wat veel heerlijker moest het wezen, om schooljuffrouw te zijn dan dienstmeisje!
Was het dat misschien, waardoor Rie nooit meer met haar praatte: dat ze het zelf ook zoo'n groot verschil vond?
Aan wal* iz