176
gezichtje, was toch soms echt om een praatje verlegen. Dan kon ze rustig toe staan kijken, hoe Jantje met haar werk bezig was, en dan ineens kwam ze voor den dag: verhalen van meisjes op school, van recht en onrecht, — vragen over het schip, dat voor haar en de beide jongens haast tot een sprookjes-verblijf werd, — over Bart, de gelukkige sterveling, die dag-in dag-uit zijn leven op het schip mocht doorbrengen. Ze wou erg graag, dat Bart avontuurlijke kwajongens-streken uithaalde, maar Jantje was te eerlijk, om dat ter-wille van het succes ervan te maken. Bart was nu eenmaal een gewone jongen, minstens zoo gewoon als Daan en Herman, — alleen, hij woonde op een schip...
Daan, pienter jongetje, dat met weinig werk daverende proefwerken leverde, zag ze weinig. Ze kende hem eigenlijk het meest door Herman, die onder het schoenen-poetsen sterk-gekleurde verhalen ophing van Daan’s kundigheden. Jantje dacht wel eens, hoe mooi dat was, dat Herman zoo trotsch was op Daan's successen, alsof het hem zelf gold. Alleen op het gebied van schoenen-poetsen aanvaardde hij gretig zelf alle mogelijke lof.
Op Jantje's kamertje hing nu een potlood-teekening boven haar bed: een schip, dat weerspiegelde in het water. Het was een turfschip, maar