178
Maar dan was ze toch niet zoo'n meisje als ze gehoopt had, — niet het meisje, waar ze zoo graag de vriendin van was geweest.
Toen, op een avond na ’t eten, stapte Rie de keuken binnen, en ging, alsof het doodgewoon was, de borden drogen die Jantje gewasschen had. Jantje keek eerst verbaasd, vroeg toen: „Waarom doe je dat?"
,/k Heb haast geen werk op voor morgen," „Wat aardig van je om me te helpen!"
Ze werden allebei verlegen ervan.
Toen begon Rie weer:
„Ik wil je wel vaker helpen afdrogen, als ik weinig werk heb."
„Ja?”
Ze slikte de vraag in:
„Waarom nu voor 't eerst?"
En vroeg in plaats daarvan na een poos:
„Heb je altijd erg veel te werken?"
„Meestal wel. We hebben ft druk bij ons op school."
„Vind je 't fijn?"
’t Klonk zoo gretig.
„Jawel. Ik geloof wel, dat ik schooljuffrouw een prettig vak zal vinden."
Jantje dacht: ze is niet eens zoo èrg blij, dat ze