HOOFDSTUK X
Ze kende ze nu allemaal op een prik, al de menschen en kinderen hier in huis. Natuurlijk Herman het beste, maar dat kwam ook door het schoenenpoetsen. En de moeder ook het beste, omdat ze den heelen dag met haar samen was.
Wat hield ze veel van de moeder! In haar gedachten noemde ze haar niet „mevrouw”, maar „moeder”, — alleen maar „moeder”. Dat kwam, doordat ze het woord moeder hier zoo vaak hoorde, van dat de kinderen uit school kwamen, tot dat ze naar bed gingen. „Moeder”, — ze sprak het wel eens zachtjes uit als ze alleen was, — net of ze het woord streelde vóór ze het zei.
Meneer kende ze het minst van allen. Dat was nu eenmaal zoo met vaders: die zag je haast niet, en als je ze zag, sprak je ze nog niet. Ze wist nu wel, wat hij deed: hij was leeraar, dus toch net zoo iets als ze gedacht had, al had het net zoo goed heel wat anders kunnen zijn.
Annetje, met haar stil stemmetje en haar ernstig