171
nieuwe betrekking, — het jonge, lachende gezichtje tegenover haar... het gezichtje van het meisje, dat even oud was als zij... van Rie... en toen herinnerde ze zich weer.
„Ik heb geslapen," zei ze overbodig.
„Ja, en wat!"
„Ik wou, geloof ik, net naar bed gaan."
„Ben je zoo moe?"
„We zijn vanmorgen erg vroeg met het schip weggegaan, en ik ging een eind mee. Toen ben ik terug gefietst naar de stad."
„Wat een boel op één dag!"
Jantje ontdekte opeens, dat er nu toch gebeurde, waar ze zoo naar verlangd had: zij en Rie zaten met z'n beidjes te praten.
„Wonen jullie op een schip?" vroeg Rie.
„Ja."
„Met z'n hoevelen zijn jullie?"
„Bart en ik alleen. Bart is m'n broertje. En vader en tante. Moeder is dood."
„Och," zei Rie.
„Maar tante is erg lief," zei Jantje er haastig achter aan.
„Gaat jullie schip telkens ergens anders heen?"
„Soms blijven we jaren liggen. Maar nu moest vader weg. Anders had ik wel bij mevrouw kunnen blij -ven, maar er was geen ruimte voor me om te slapen."