170
hem gauw „nacht!” achterna had geroepen, merkte ze, dat ze niet lang meer haar oogen open zou kunnen houden.
De dag was ook zóó lang geweest! Zóó oneindig lang! Nu kon ze niet meer, — nu zou ze niet eens meer met Rie kunnen praten, als Rie ineens in de keuken kwam om goeienacht te zeggen, of om een praatje te maken, omdat ze even oud waren...
Maar hoe moest je zoo iets nou doen: naar de huiskamer gaan en zeggen, dat je zoo'n slaap had? Was dat niet gek? En haar beenen, — haar beenen durfden het niet eens meer aan, om op te staan en de keuken uit te loopen...
Toen Rie in de keuken kwam om Jantje goeienacht te zeggen, lag Jantje rustig te slapen met haar hoofd op tafel, naast het leege theekopje.
„Och,” zei Rie.
Ze liep zacht naar Jantje toe, en klopte haar op de schouder.
Jantje sliep rustig door.
„Jantje!”
Uit een diepe diepte kwam ze weer langzaam op de wereld terug. Ze keek Rie met leege oogen aan, en Rie keek lachend terug.
„Was je in slaap gevallen?”
In slaap gevallen? Wat... waar...
Toen zag ze de omgeving, de keuken van de