i68
„Hoe weet je, dat je niet knap bent?”
„De rapporten, hè? Ik ben nog nooit blijven zitten, maar dat zal ook nog wel eens een keer gebeuren.”
„Wie zegt dat?”
„Ik zelf natuurlijk. Ik heb meest zesjes, — behalve teekenen natuurlijk, — nou, en van zesjes hoeft maar een béétje af te gaan, dan is het al mis.” „Hebben de anderen dan altijd meer dan zesjes?” „Nou, zeg, achten en zool Ze zijn geweldig knap,” besloot hij met een zucht.
„En het schoenen-poetsen dan?”
„Ja, dat is wat anders!” leefde hij op. „Dat kan ik nou weer het beste.”
„En teekenen?”
„Ja, teekenen ook.”
„Dat is toch al samen heel wat!”
„Ja?”
Hij was nu klaar met de schoenen, zette ze keurig op een rij. Toen ging hij staan, keek Jantje peinzend aan.
„Zeg, wil je ook een teekening van me hebben?” Jantje kleurde er warempel van.
„Graag!”
„Goed. Nu moet ik naar bed. Maar morgen maak ik er één.”
„Dank je wel, hoor!”