167
„Wat een schat,” dacht Jantje, en ze verheugde zich op de zeven avonden in de week, dat hij bij haar in de keuken zou komen poetsen.
„Hoe heet je broertje?” vroeg ze na een poos. „Daan.”
„En je zusje?”
„Annetje.”
„Nee, je groote zusje.”
Hij keek haar verbaasd aan.
„Wéét je dat niet? En zij wist wel, dat jij Jantje heet!”
„Ja?” vroeg Jantje blij-verrast. „Nee, ik weet het toch niet.”
„Nou, ze heet Rie,” — en met iets eerbiedigs in z’n stem: „Ze leert voor schooljuffrouw.” „Hoe oud is ze?”
„Al zestien.”
„Ik ook!” riep Jantje opgetogen. Waarom ze er zoo blij mee was, wist ze niet. Het meisje heette dus Rie, en ze werd schooljuffrouw. Dat was een heel ander werk dan hadr werk. Ze zou er wel niet zoo veel om geven, dat ze even oud waren, als zij zelf er om gaf...
„Is Rie erg knap?” vroeg ze angstig.
Herman zuchtte.
„Ja. Ze zijn allemaal knap. Annetje weet ik nog niet. Maar ik niet.”