i66
vaardige opvatting van zijn taak. Stuk voor stuk werden alle schoenen eerst ontmodderd, toen in-gesmeerd.
„Ik verdien er geld mee/' lichtte hij toe. ”Ja?”
„Ja. Een cent per dag. Dat is zeven cent in de week. Boel, hè?”
„Nou!”
„Ze doen ze allemaal uit en trekken pantoffels aan, dat ik ze kan poetsen vóór ik naar bed ga.” „En als ze 's avonds nog weer weg moeten?” „Dat is alleen vader, maar die zet z'n schoenen pas neer voor morgenochtend.”
Ze keek de schoenen-rij langs. Ja, er stonden geen mannen-schoenen bij.
„Poets ik je vaders schoenen dan morgenochtend?”
Herman keek haar aan, of hij met een olie-dom kind te doen had.
„Natuurlijk niet! Ik poets toch de schoenen?” Hoe kon ze deze domheid weer goed maken! „Je kunt het goed, zeg! Wat glimmen ze!”
Hij bekeek zijn werk met half-dichte oogen en z'n hoofd scheef.
„Tja,” beaamde hij, „anders lieten ze 't me ook niet doen, hè?”
Hij poetste stil verder.