i65
had ze al gezien: klein en licht en erg gezellig. Daar moest ze zich thuis gaan voelen. Als ze nou maar niet te veel aan 't schip dacht, en aan vader. En ook niet aan moeder, lang geleden... Dat kwam natuurlijk, doordat ze hier allemaal zóó uit school naar moeder liepen.
Prompt om zeven uur wandelde Herman de keuken binnen. Onder z’n armen en in z'n handen torste hij verschillende paren vuile schoenen.
„Dank je wel, hoor,” zei Jantje, „dat je de schoenen voor me gehaald hebt.”
Herman liet de schoenen op de grond rollen, en posteerde zich waardig voor Jantje.
„Ik heb ze niet voor jou gehaald,” verklaarde hij, en met nadruk voegde hij er bij:
„Ik poets hier altijd de schoenen.”
„Jij?” verbaasde Jantje zich. „Al die schoenen?” „Ja,” — met een zelfbewuste knik, — „al zoo-wat een half jaar.”
„Wat fijn voor mij!”
Dat was net het beste, wat Jantje gezegd kon hebben, want Herman glom.
Hij haalde uit een kastje een kist met schoen-poets-gerei voor den dag, spreidde een krant uit op de grond, knielde neer, en begon zwijgend en nauwkeurig aan zijn werk. Hij had geen licht