159
„Goed, Jantje."
„Zal ik nou maar tante gaan dag zeggen?"
Vader knikte. Hij keek weer in 't water...
Toen ze weer op 't dek kwam, tante's dikke zoen nog nat op haar wang, stond vader er nog. Ze bleef even staan, en keek naar hem. En dacht, hoe goed het was van vader, dat hij haar zoo liet gaan, en niet boos was, — en hij was toch maar zoo alleen met tante en Bart.
„Nu," dacht ze.
...En ze stapte op de rol touw, die naast vader lag, en legde haar natte wang tegen vader's ruig gezicht...
De loopplank was al weer ingehaald, toen ze de modderige weg op fietste, achterom wuivend naar tante en Bart en vader... en vader...
Terug. Terug naar de stad. En het schip ging verder.
Maar toch was het goed zoo...