HOOFDSTUK IX
De stad kwam al in zicht, en het was nog maar kwart over acht. Wat een vreemde lange morgen was het toch, — al zóó veel achter de rug, en nog meer dan een uur den tijd, vóór ze in de nieuwe betrekking hoefde te zijn.
De nieuwe betrekking, — ze kreeg er opeens zin in. Nu alles voorbij was, waar ze zoo tegen had opgezien, lag het nieuwe open vóór haar, om frisch mee te beginnen: Straks, over een uur, was ze al bij de mevrouw met het moeder-gezicht, en dan zou ze dadelijk aan ft werk gaan.
Het was half negen, toen ze de straat in reed, waar aan *t andere eind de school van Bart stond. De school van Bart, — en van meester Bos. Het vloog even door haar gedachten heen: zou meester Bos al op school zijn?
En als hij er nog niet was, en gauw kwam? Ze hoefde pas om half tien bij de nieuwe mevrouw te komen. Als hij er nog niet was, zou ze dan even op hem wachten?