157
Ze hadden nu een lang, recht stuk water vóór zich. Ze kon wel even omkijken van haar plaats. Vader was ver af, heel aan ’t andere eind van het schip. Achteruit kijken maar weer.
Hoor, de voetstappen kwamen weer dichterbij...
„Nu.”
„Vader?”
Maar haar stem was nog zoo heesch. Hij was alweer met de rug naar haar toe, weg.
Achteruit kijken. Achteruit kijken, en wachten, luisteren, voelen...
„Nu.”
Ze liet het roer los. Het kon wel even hier. Ze liep vader achterna.
„Vader?”
„Jantje?”
Hij liep door, terwijl hij het zei. Het werk ging door. Het schip moest voort, verder van de stad af, waar Jantje heen moest.
„Kunnen we, — kan het schip niet even aan wal liggen? Ik moet er straks toch af.”
Vader keek keurend naar de wal. Het was goed vastleggen hier.
„Goed.”
Hij stond stil, en riep Bart. Die moest hem helpen bij het aanleggen.
En terwijl ze samen bezig waren, de mannen,