155
wakker, en van de stad kwamen nog maar weinig geluiden, zoo los van elkaar, nog niet één heel geraas.
Hun stemmen klonken nog donker en kort van de slaap. Ze zeiden ook maar alleen wat noodig was; verder zwegen ze en werkten ze.
Jantje ging mee, zoo ver als het kon. Om half tien moest ze in haar nieuwe betrekking zijn, en als ze van 't schip ging, fietste ze terug.
Zij mocht bij 't roer staan, zoolang ze nog aan boord was. Straks konden tante of Bart het wel overnemen. Vader boomde.
Het was vochtig-nevelig, en kil nog. Jantje had de zwart-wollen balletjes-doek om de schouders. De mantel, die kreeg ze straks pas aan, als ze naar de betrekking fietste. Die deed je niet aan achter ’t roer.
Ze leek wel een oud vrouwtje zoo: de vlecht onder de doek, en alleen het gescheiden blonde haar te zien, — een beetje kouwelijk in elkaar, een beetje smalletjes en witjes van al het vreemde, dat haar te wachten stond, een beetje zorgelijk, hoe ze uit stond te kijken over het water.
Bart liep van 't ééne eind van het dek naar het andere. Hij was ziels-gelukkig dat er weer eens wat beweging in zijn bestaan kwam. Een andere plaats, een andere school, andere meesters, andere