153
lachte haar toe, toen ze hem uit de wieg nam. Ze lachte terug, heelemaal opgefleurd.
En nog even alle gekke, overgenomen woordjes van mevrouw tegen hem zeggen, — daar was hij zoo aan gewend, daar kon hij het niet zonder doen...
Zou ze die woordjes nog kennen, als ze een poos hier weg was? Zou ze ooit wel een mevrouw weervinden met zulke gekke woordjes? En o, zou Knulletje haar nog wel kennen, als hij haar weer zag?
De gekke woordjes werden een beetje heesch, hielden tenslotte op...
Nee, er was niets te beginnen met Janus vandaag. Niets te beginnen...
Op 't allerlaatst brak ze nog een kopje. Een daagsch kopje gelukkig, — maar het eerste kopje, dat ze hier gebroken had.
„Zenuwen,” zei mevrouw, en toen huilde Jantje.
Dat was maar gelukkig ook, dat ze huilde. Daar had ze nou den heelen dag tegen aan gehangen, en het verlossende huilbuitje had maar niet willen komen. En nu het er geweest was, leek alles opeens anders. Mevrouw kon haar gezellig uitlachen, en zij moest voor haar fatsoen toen wel terug lachen.
Ze had haar gezicht al weer frisch gewasschen, toen ze binnen kwam om dag te zeggen. Ze glom en had roode oogen, maar dat was tenminste een