152
Ze wist het niet, echt niet. Ze had geen kinderen gezien, niemand dan mevrouw alleen, en die was aardig.
Tante was verontwaardigd, dat je zóó een betrekking kon aannemen. Ze had nu toch gedacht, dat Jantje langzamerhand oud en wijs genoeg was, om op haar eigen zaakjes te passen. Maar vader zei, dat ze toch het meest met de mevrouw te maken had, en als die aardig leek, dan zou het allemaal wel meevallen.
En toen kwam de laatste dag, — de dag, waar ze zoo oneindig tegen opgezien had, zóó erg, dat ze er haast naar had verlangd, om hem maar achter de rug te hebben.
„Zullen we nog eens tweestemmige liedjes zingen? Weet je nog wel, de eerste dag? Toen was Knulletje er nog niet.”
Ze wist het nog wel. O, of ze het wist...
Ze zong haar tweede stem met zóó'n zielig stemmetje, dat mevrouw tenslotte alleen overbleef. Er was vandaag geen beginnen aan met haar.
„Jij mag Knulletje een schoone luier aandoen.”
Ze werd even wakker. Dat was maar hooge uitzondering geweest, dat haar de eer te beurt viel, Knulletje te mogen helpen. Het gaf echt iets plechtigs aan de laatste dag.
Knulletje kende haar heusch al een beetje. Hij