149
Vreemd. Alsof er jaren voorbij gegaan waren, sinds ze het doodgewoon vond, om niet erg nuttig te zijn, haar rustig leventje aan boord te leiden, en geen geld te verdienen. En ’t was nog niet eens een jaar.
Hoe kwam het toch, dat het zoo lang leek? Dat ze zoo veranderd was?
Het was dit: ze had gevonden, waar meester Bos over gesproken had: werk, waar je in meeleefde, alsof alles, wat bij dit werk hoorde, van jezelf was. Iets om van te houden.
En dat maakte, dat ze er niet meer zonder zou kunnen. Nee, nu niet meer...
„Ik ga ergens voor dag en nacht/’ zei ze, en ’t was vandaag voor ’t eerst, dat ze haar benepen stemmetje liet varen, en hardop en besloten praatte.
„Hier in de stad?”
Ze dacht even na. Ja, wat gaf het, of ze met ’t schip meeging? Als ze dan toch niet zeker wist, of ze daar zouden blijven liggen?
„Ja, mevrouw, hier in de stad.”
„Nou dan! Dan kun je Knulletje toch zoo vaak zien als je wilt!”
Jantje lachte. Voor ’t eerst vandaag lachte ze.
„En u dan?”
„Ik?” —* mevrouw trok even aan Jantje’s dikke vlecht, — „ik zal wel een ander meisje krijgen.