147
„Nee, kind, — dat weet je zelf wel, dat er hier geen ruimte is,” zei mevrouw stil. „Ik wou het zelf ook zoo graag, dat het kon.”
„De divan,” fluisterde Jantje, alleen maar, omdat ze zich den heelen nacht suf gedacht had op die divan.
„De divan? Dan zou je op moeten blijven, tot we naar bedgaan. Nee, Jantje, ik geloof niet,dat het kan.” En toen:
„Ik vind het zelf zoo vreeselijk.”
Even drong het tot Jantje door, dat het toch wel iets was om blij mee te zijn, dat mevrouw het zelf ook zoo vreeselijk vond. Maar het was niet genoeg, om te vergeten, hoe erg het zou zijn om hier vandaan te moeten.
„Wanneer is het, Jantje?”
Ze zei nu niet Janus. Het was nu geen tijd om Janus te zeggen.
„Met een week of drie.”
„Kind, wat vreeselijk.”
Jantje ging er even bij zitten om nu maar vrijuit te huilen. Tot op dit oogenblik had ze er nog niet aan gedacht, hoe kort drie weken waren. Drie weken... over drie weken zou hier een ander meisje mevrouw helpen, en dat meisje kende Knulletje niet eens, had mevrouw niet gekend toen Knulletje er nog niet was...