145
dan was dat toch nog thuis. Maar als ik bij mevrouw weg zou moeten...”
Ze zei het maar niet verder. Ze wou er niet verder over nadenken. Misschien toch iets met de divan...
„Ik weet er niets anders op,” zuchtte vader. „Ik moet weg.”
Moeten. Daar kon je je tegen kapot stooten, — het hielp toch niets. Als iets moest, dan was er geen ontkomen aan. Dat wist Jantje al van toen ze heel klein was.
„Ik zal vragen of ik voor dag en nacht kan,” zei ze klein. In haar hart wist ze, dat het niet zou kunnen.
Maar wat dan? Wat dan?
Niet over denken... Nu nog niet over denken...
Mevrouw zag het wel, dat er wat aan scheelde met Jantje. Ze zag warempel wit vandaag, en dat was ze niet van haar gewend. Ze zou toch niet ziek gaan worden?
„Janus, wat heb je?”
„Ik? Niks mevrouw.”
Ze stelde het ieder oogenblik uit, erover te beginnen. Misschien kwam er een goede gelegenheid. Maar nu deze gelegenheid er was, dat mevrouw vroeg wat ze had, nu liet ze het ongebruikt voorbij gaan.
Aan wal. 10