i44
zich even indenken: voor dag en nacht... Maar waar moest ze dan slapen? Op de divan in de huiskamer? Anders was er nergens plaats. Maar 's avonds op de divan in de huiskamer, — dat zou wel niet kunnen, — dan moesten meneer en mevrouw in de huiskamer zitten...
„Ik denk niet, dat ik er voor dag en nacht kan zijn,” zei ze heesch, met een prop in de keel. Ze wou niet doordenken, hoe het zou zijn, als het niet ging met die divan.
„Dan ga je met ons mee,” zei vader hartelijk. „Mee? Van hier weg? Dat kan ik toch niet?” „Vind je ’t zoo naar bij ons op *t schip?” vroeg vader teleurgesteld.
„Naar? Nee, natuurlijk niet. Maar, — o, vader, het is er zoo heerlijk!”
„Vind je ’t beter aan wal dan op 't schip?”
Er was iets bedelends in vaders stem. Jantje hoorde het niet, maar toch kon ze niet zeggen van ja.
„Ik ben er zoo aan gewend. Niet omdat het aan wal is, hoor. Maar hier op 't schip is heusch niet genoeg te doen. En... ik hou zoo van mevrouw en meneer en Knulletje.”
„Van ons dan niet?”
„Natuurlijk wel... Maar als ik niet bij jullie zou zijn, was ik jullie toch niet... niet kwijt... Ik bedoel: