HOOFDSTUK VIII
Vader zei, en hij trok aan zijn pijp, een paar maal achter elkaar:
„Jantje, we moeten hier weg met het schip.” Jantje keek op, en begreep zoo gauw niet, waar vader het over had. Hier weg met het schip? Dat kon toch niet? En ze waren hier al bijna twee jaar! Dan kon je toch maar zoo niet weggaan met het schip?
„Wat bedoelt u?”
„Weg met het schip. Hier vandaan. Dat hebben we toch wel eens vaker bij de hand gehad?”
„Ja maar... Dat kan toch niet?”
,/t Heeft toch altijd gekund!”
„Maar we kunnen toch niet weg... om mijn betrekking!”
„Daar heb ik ook over gedacht. Wat denk je, dat beter is: dat je vraagt, of je voor dag en nacht mag blijven, of dat je met ons meegaat?”
„Voor dag en nacht blijven?”
Daar had ze nog niet aan gedacht. Ze moest het