140
Als mevrouw het zei, zou het wel zoo zijn. Maar èrg was het.
„We zullen maar hier bij de wieg blijven zitten.”
Aan weerskanten van de wieg zette ze een stoel neer. De gordijntjes gingen weer opzij, maar dit keer zonder resultaat: hij was nu ontroostbaar.
Bart zag er wit om de neus van. Jantje had groote zin om te gaan huilen.
„Misschien een schoone luier,” dacht ze hardop.
„Ja,” zuchtte Bart, bereid tot elke oplossing van het geval.
Ze legde handig het huilende Knulletje op het kussen, maakte met bevende vingers het zaakje open.
„Jakkes,” zei Bart hartgrondig, in onwetendheid over hoe hij zelf in z’n jeugd geweest was.
„Was 't 'm dat?” praatte Jantje mevrouw na. „Wou-die zoo graag schoon zijn? Had dat dan gezegd!”
„Dat kan ie toch niet!” verdedigde Bart hem. „Dat weet je toch ook wel!”
„Och jong, zoo moet je altijd tegen zulke kinderen praten.”
O ”
Gek deden ze met zulke kinderen. Niks voor hem. Was ie maar weer terug op het schip! Hij had slaap ook, van al dat geschreeuw van dat kind.