137
gezicht op. Z'n beenen, zonder sporten-steun, bungelden hulpeloos tegen de tafelpooten.
„Dat mag je niet doen/' verbood Jantje. „Dan komen er krassen in de pooten.”
Bart zuchtte alleen maar. Er mocht niet veel hier in huis: geen vijf schepjes suiker, niet schrikken als dat kind huilde, je beenen niet laten bungelen als er geen sporten aan de stoelen waren...
Jantje zag zijn rampzalig gezicht, en peinsde op middelen om hem te troosten.
„Nog een kopje thee?”
„Goed.” Tragisch-lusteloos.
„Lust je er wel vier schepjes suiker in?” bood ze goedig aan.
Bart leefde op.
„Vijf,” drong hij.
Bart's herwonnen levenslust was haar veel waard, en daarom zei ze „goed”. Maar de schepjes, die ze gaf, waren wel krap gemeten...
„Zal ik eens op de divan gaan zitten?” stelde Bart voor.
Goed. Alles was goed. En Bart troonde op de divan, raakte met z'n voeten de grond, en kon bovendien op en neer dansen met de veeren, die binnen in de divan zaten. Het bracht een heele verademing in de stemming.
En alles zou gelukzalig gebleven zijn, als uit