129
„Fijn, man,” was alles, wat hij er tenslotte over losliet.
Mevrouw was minstens even opgewonden als Jantje. Ze zou met meneer naar de schouwburg. Uitgaan, 's avonds uitgaan, een heele mooie jurk aandoen, iets moois zien, veel licht zien en veel menschen, — hoe lang was het wel geleden, dat ze dat gedaan had?
Ze liep dien dag met een rood kleurtje door het huis, voor 't eerst sinds Jantje haar kende wat gejaagd. Er was ook zoo’n boel te regelen: minstens wel drie uur ging ze van Knulletje af!
Nu was Knulletje 's avonds altijd een toonbeeld van braafheid. Hij verbeeldde zich zelfs wel eens, dat de avond de nacht was. Dan werd hij 's avonds laat uit de diepste slaap-diepten opgehaald, om nog even wat te bikken, vóór en aleer de groote menschen vonden, dat het nu nacht werd.
Zoo erg zou het dus wel niet worden, dat ze zooveel uren van hem weg ging. En toch: het was allemaal zoo nieuw en zoo spannend, het uitgaan, terwijl er thuis een kindje in de wieg lag!
„Als hij mocht huilen, maar niet opnemen, hoor,” had ze wel drie keer tegen Jantje gezegd, terwijl ze innerlijk toch wist, dat hij niet huilen zou.
„Maar als hij erg huilt, dan toch maar even
Aan wal* 9