125
was *s avonds toch niemand anders in huis om op Knulletje te passen, dan zij tweeën!
Jantje hoorde er over praten. En ze dacht, maar ze durfde het niet zeggen:
„Waarom zouden ze mij niet vragen, om een avond hier te blijven en op het jongetje te passen?”
Tot ze eindelijk, toen het weer besproken werd, zachtjes durfde:
„Mag ik niet een avond hier blijven?”
„Jij?”
Mevrouw keek haar peinzend aan, net of ze wat nieuws aan haar zag.
„Kind, je moet al lang in bed liggen, als wij thuis komen.”
„Voor één keertje?”
Ze wou zoo vreeselijk graag, en dat zagen meneer en mevrouw wel, — en meneer en mevrouw wouen zelf ook zoo vreeselijk graag, — en daarom, met duizend „als”-en, als vader het goed vond, en tante het goed vond, als ze zeker wist dat ze er tegen kon, als ze het echt niet naar vond, zoo alleen op een huis te passen, — werd het goedgevonden.
Nee, ze vond het écht niet naar! Ze vond het heerlijk!
Natuurlijk zou het nog wel heerlijker zijn, als er nog iemand bij was, iemand van thuis, maar dat kon nu eenmaal niet.