ii7
vlechten over de schouders, waar toch nog, rondom het stralende gezicht, allemaal krulletjes uit sprongen. Ze lichtte het hoofd wat van het kussen, en zei:
„Hoe vind je het, Jantje?”
Jantje wist niet te zeggen, hoe ze het vond. Dat hoefde ze ook niet te zeggen. Mevrouw wist het wel.
„Kijk eens in de wieg.”
Op de teenen liep Jantje naar de wieg toe. Ze deed het gazen gordijntje op zij, stak haar hoofd onder de kap, en keek.
Eerst zag ze niets. Alleen het bovenlakentje met de dekentjes wat gewelfd, een deuk in het deel van het kussentje, dat boven het lakentje uitstak.
Toen duwde zuster het lakentje wat terug.
En Jantje zag:
Een rood, rond kopje, met een knopje er aan, dat een neus moest verbeelden. Met dat knopje trok het heele vieze gezichten, alsof 't het alles behalve leuk vond, bekeken te worden. Boven op het kopje was een beetje donzig goedje. Dat was zijn haar.
En waar waren nu de blonde of bruine krullen, waar Jantje zoo vast op gerekend had? En het snoezige baby-gezichtje van de plaatjes en schilderijtjes?
Jantje zuchtte even heel diep. Het was wel een