iets heel geweldigs te doen. Alleen maar van blijdschap. Maar ze begreep wel, dat ze met zulke gekke dingen nu niet beginnen moest.
Opeens bleef ze met de stofdoek in de hand en een dom-open mond stijf staan.
Uit de andere kamer kwam een geluidje. O, een klein, heel zacht geluidje. Maar toch hard genoeg om Jantje een schok te geven van schrik... nee, van verrassing, of van... van iets, dat haar keel een oogenblik dicht kneep, en dat haar toen met een kleur en met verrukt-vragende oogen naar meneer deed kijken.
„Ja,” knikte meneer, „dat is-ie. Geloof je me nou?”
„Ja meneer,” zuchtte ze. O, ze geloofde het, — nu begreep ze pas heelemaal, dat er een levend, levend kindje in het wiegje lag.
Het zacht-trillende klaag-geluidje zweeg weer. Maar het was net, of het bleef rondzweven door de kamer, door het heele huis, om te vertellen, dat er nu een heel nieuwe tijd begon.
Er kwam wat beweging in de slaapkamer.
Een bed, dat kraakte. Dan zachte voetstappen. De zuster zeker. Ze hoorde alles, alles, terwijl haar handen, zonder dat ze het wist, voortgingen met het werk.
Dan een slaperige stem, die wat zei, — wat, dat