III
Maar Jantje wist niets, niets... Ze wist alleen, dat ze zoo alleen was geweest, en dat ze nu naar huis was gestuurd, omdat er geen ruimte voor haar was om te blijven slapen, en omdat ze morgen toch uitgeslapen moest zijn. Daarom wou ze nu naar bed*
Ze kroop in haar bedstee, terwijl tante en vader nog in de kamer zaten. Ze wou haar best doen om gauw te slapen. Want morgen, morgen moest ze flink zijn, had meneer gezegd.
Ze vertrouwden allemaal, dat ze flink zou zijn, meneer en mevrouw allebei. Mevrouw had toch gezegd, dat ze dapper was.
Nu maar slapen... slapen...
Maar het water klotste tegen de kanten van het schip op, en de wind gierde door de ruimte tus-schen de wal en het schip. Anders hoorde ze dat nooit; ze was het altijd gewend geweest. Maar nu, nu was alles zoo anders.
Ze probeerde zich voor te stellen, dat ze morgen kwam, en er lag een klein kindje in de wieg. Welk truitje zou mevrouw het 't eerst aan doen? Dat witte met het lichtblauwe randje? Wat zou dat snoezig staan!
Maar misschien was het er morgen nog heelemaal niet. Misschien hadden ze zich allemaal vergist, mevrouw eerst, en meneer, en de dokter en de zuster. Want vandaag was het toch ook nog