112
niet gekomen, en ze hadden er zoo op gerekend!
Ze hoorde vader naar bed gaan, en tante, en aldoor, aldoor dat klotsen van het water en dat gieren van de wind.
Als ze nu maar slapen kon. Ze wou slapen. Ze wou morgen uitgerust zijn. Nu was ze zoo verschrikkelijk moe, van het heen en weer gooien in bed, en ook van dat wachten, dat wachten vanmiddag, toen er niemand in het huis rondliep dan zij alleen.
De oogen maar dicht doen, en nergens aan denken. Stil liggen luisteren naar het klotsen van het water, — naar het klotsen van het water... naar het klotsen... het klotsen...
De storm was gaan liggen, toen ze wakker werd. Een uur vroeger dan andere morgens.
Ze wist het dadelijk weer, wat er was.
Zou het kindje er nu al zijn? Hoeveel uren moest ze nog wachten, eer ze het wist? Of zou ze misschien vandaag een uurtje vroeger mogen komen?
Maar stel je eens voor, dat ze nog allemaal sliepen, en zij belde ze wakker!
Een half uurtje eerder dan? Want anders duurde het zoo erg lang!
Ze stond op in de grauwe, uitgestormde morgen. Vader was ook al op. Ze zeiden niet veel tegen