110
begreep ze wel. Ze boog haar hoofd, en zei zachtjes: „Goeienavond meneer.”
En toen meneer al haast de keuken uit was: „De groeten aan mevrouw.”
„Dank je wel, hoor. Morgen...” — hij haperde even, — „morgen spreek je mevrouw zelf wel weer, gezond en wel.”
Nu stond ze op straat. Het was stormachtig weer; dat merkte ze nu pas. Had het den heelen dag al gestormd? Had ze daar niets van gemerkt? Wat was er vandaag dan allemaal gebeurd?
Er was niets gebeurd. Ze had alleen maar gedacht, dat er wat gebeuren zou. Dat het kindje geboren zou worden. Maar het was er nog niet. En nu liep zij op straat in de storm, en misschien was het kindje er morgen nog niet, als ze terug kwam. En den heelen dag had ze mevrouw niet gezien na vanmorgen. Zou dat morgen weer zoo zijn? Nee toch, — o, nee, dat zou ze zoo verschrikkelijk vinden.
Ze zei thuis tegen vader en tante:
„Ik ga maar gauw slapen. Ik moet morgen vroeg weer op.”
„Wat is er dan?”
„Ik geloof, dat het kindje nu komt.”
„Ja?”
Tante liep heelemaal warm, wou alles weten.