107
Toen ging de deur weer open. Dokter.
Jantje keek hem verschrikt aan, door dat plotselinge verschijnen. Ze durfde niets te vragen.
„Wat een benauwd gezicht!” kwam dokter's bas-stem. „Ben je bang voor me?”
Jantje probeerde te lachen, maar dat ging niet. „Is... is het kindje er nog niet?” haperde ze. Dokter lachte.
„Welnee, kind. Ik ga nog eerst naar huis. Wou je zoo graag, dat het kindje er nu al was?”
Jantje knikte. En opeens, door dat lange wachten, dat héél alleen zijn naast een kamer vol menschen, dat niet weten wat ze doen moest, — kwamen er een paar dikke tranen over de rand van haar oogen loopen.
„Wat krijgen we nou?” bromde de dokter. „Mevrouw lacht nog, en jij huilt?”
Hij klopte haar op de schouder.
,/t Gaat best met mevrouw, hoor. Zie jij maar eens, dat meneer wat te eten krijgt, en zuster en jij ook. Mevrouw zal wel niets lusten. En ik ga thuis wat halen, want van jou krijg ik toch niets, dat heb ik wel in de gaten.”
Jantje lachte door haar tranen heen.
„Dank u wel,” zei ze, maar ze wist niet, waarvoor ze hem eigenlijk bedankte.
Toen dokter de deur achter zich dichtgetrokken