io6
spreken? En zou dan... zou er dan al een kindje zijn?
Ze keek op de keukenklok. Half twee. Was dat vroeg? Was dat laat? Even bezinnen: anders kwam meneer om half één thuis om te eten. Was hij nu al thuis geweest om te eten? Hij was thuis, maar gegeten had hij nog niet.
Hoe laat was het geweest, toen ze hem opbelde? Ze wist het niet. Mevrouw had daar zoo ineens gestaan, en had het haar gezegd. Toen was ze aan *t kraan-poetsen geweest. Poetsen, — koper poetsen, — dat was dus zoowat elf uur...
Maar dan moesten ze eten, meneer en mevrouw en zij. En de zuster ook. En de dokter ook.
Hoe moest dat nou? Ze kon toch niet aan de slaapkamerdeur kloppen, en vragen of ze niet moesten eten?
Nee, liever wachten, tot er weer iemand uit kwam. Er zou toch wel ééns een zuster of een dokter of een meneer te voorschijn komen?
Wat was ze nu toch nog onzelfstandig en kinderachtig. Een écht groot meisje zou zelf weten, wat ze doen moest, — misschien wel de tafel dekken en brood snijden en dan zeggen dat alles klaar stond.
Zou ze...
Nee, je kon toch geen brood gaan snijden, terwijl je op het kindje wachtte!