104
hebben dan Jantje zelf. En zoo tevreden als ze zuchtte, toen ze wist, dat meneer gauw kwam! „Kind, nu wordt het een drukke tijd voor je.” Ze zei niet „Janus”, — nu niet...
„Ja, mevrouw.”
„Durf je het wel aan?”
Ze keek mevrouw met een blijde lach aan. „Ja. Natuurlijk wel.”
„Je bent een dappere meid.”
Toen hoorde mevrouw de sleutel van meneer in het slot, en ze liep vlug naar de voorgang. Jantje bleef alleen staan, en herhaalde in haar gedachten telkens weer mevrouw's woorden van zooeven:
„Je bent een dappere meid.”
Dit was het eenige, wat ze noodig had; nu kon ze alles, — alles!
Vóór ze het wist, was het kleine huisje vol met menschen: meneer, en een zuster met een donkerblauwe jurk en een spierwit schort, en een dokter. Eigenlijk waren het maar twee vreemde menschen, maar al het vreemde, dat hun aanwezigheid meebracht, gaf dat gevoel alsof het huisje propvol was.
Al die menschen, en mevrouw, waren nu in de slaapkamer, en Jantje bleef moederziel alleen achter. Wat moest ze nu? Gewoon met het werk door