103
stem en blijde oogen, liep ze hard. Ze merkte opeens, dat ze niets gezegd en niets gevraagd had, — dat ze zoo maar haar werk had weggeborgen en was weggeloopen. Maar ze had ook niet het gevoel, dat er wat te vragen of te zeggen was geweest.
Gewoon: ze hadden op het kindje gewacht, allemaal, hier en thuis op 't schip, en nu kwam het. En nu moest ze meneer vragen om thuis te komen, want het kindje kwam...
Ze telefoneerde. Het duurde even, voor ze meneer zelf kreeg. Ze werd er angstig van, — o, als ze eens te lang van mevrouw weg bleef! Misschien had mevrouw haar hulp wel noodig!
Toen: meneer's stem.
„Hallo? Ja?”
„Meneer, mevrouw vraagt of u nu maar thuis komt.”
„Ik kom.”
Weg. Het was net als zooeven: niets vragen, niets zeggen; alleen maar begrijpen, dat nu de tijd voor het kindje gekomen was.
Ze kwam terug in een oogenblik. Mevrouw vroeg:
„Heb je meneer gesproken?”
„Hij komt.”
O, dat bleek-stralende gezicht van mevrouw. Ze moest toch nog meer naar het kindje verlangd