HOOFDSTUK VI
Mevrouw deed de deur van de keuken open, en bleef in de opening staan, tegen de deurpost geleund.
Jantje keek op van de kraan, die ze aan 't poetsen was.
Mevrouw stond heel rechtop, het hoofd wat achterover, met groote, wonderlijk-stralende oogen. Jantje had haar nog nooit zoo gezien. Net of ze grooter geworden was. Ze streek met de hand over haar voorhoofd, en zei met een heldere, rustige stem:
„Jantje, nu geloof ik, dat het kindje gauw komt. Wil jij even bij den kruidenier gaan telefoneeren naar meneer, of hij nu maar thuis wil komen?"
Er was zoo iets rustigs in de manier waarop mevrouw dat zei, dat het op Jantje overging. Ze borg het poetsgoed weg met langzame bewegingen, alsof ze bang was, door een haastig bewegen de rust te storen.
Maar op straat, weg van onder mevrouw's zachte