100
En nu ze daar zat tegenover het mevrouwtje, het pakje, waarin Jantje's mutsje ook zat, onder de arm gekneld, nu was ze al die mooie woorden maar zoo vergeten. En het gekke was, dat het haar niet eens speet.
Ze zei alleen:
„Ik heb wat voor uw kindje gemaakt, en Jantje ook.”
En ze rolde het pakje open.
„Het broekje was van mij, en het mutsje was van Jantje.”
Nu was mevrouw den laatsten tijd aldoor een beetje „sentimenteelderig”, — zoo noemde ze het zelf. Misschien kwam het, doordat ze zoo erg naar het kindje verlangde.
En door die sentimenteelderigheid was het, dat ze niets zei tegen tante, en daar maar zat met oogen vol waterlanders en een dikke prop in haar keel.
Het eenige, wat ze zei, toen de dikke prop in de waterlanders was opgelost, was:
„Tante, wat ben je een schat.”
Toen was tante maar blij, dat ze haar heele speech vergeten had...
Ze mochten mee naar de slaapkamer, waar nu alles gewasschen en klaar was. Tante moest toch zien, of alles gebeurd was zooals het hoorde!
Het wiegje was er ook al. Wel stond het nog