worden; ze hébben nog brood en margarine over, dus ze zouden door kunnen reizen, zonder rusl:, - maar o, een béétje verkwikking ...
En dan schokt de trein weer en brengt ze een eindje verder, telkens een eindje verder, tot ze op een groot station de deuren wijd open zien gaan en horen, dat ze uit mogen stappen. Uitstappen aan het station van een grote stad, en niet bij een kamp!
Autobussen met werkelijke banken brengen ze door trieste en beschadigde buurten. Ze houden stil voor een hoog gebouw, dat een tehuis voor daklozen is. Er zijn een paar groepen al eerder door de autobus hier afgezet, en de kinderen daarvan, die al binnen en boven zijn geweest, staan ze met opgewonden gezichten op te wachten, door elkaar roepend nog vóór ze ze kunnen verstaan.
„Er zijn bedden met lakens! Enkele bedden, zonder iemand boven je!”
„Kan niet!”
„Éérlijk! En warm water uit de kranen!”
„Echt?”
„Echt! En we krijgen hier warm eten, hebben ze gezegd, net zoveel als we lusten!”
Kijk: dat zal er nou wel bij bedacht zijn, - net zoveel als ze lusten. Maar een bed met een laken, en warm water om je te wassen, - o, als dat toch waar is!
„En,” knikte hevig een klein jongetje, om al het andere te overtroeven, „en als je van de ene barak naar de andere gaat, moet je een trap opklimmen! Een hoge trap! En ik ben niet bang op een trap.”
Het is alles waar, - ook het warme eten zoveel als je lust. Want als ze haar kroes heerlijke soep én haar diepe schotel groente op heeft, mag ze teruggaan naar waar die rustige vrouwen zonder schreeuwstemmen het eten opscheppen en daar mag ze om meer vragen. Maar ze kan het niet, want dit is al meer dan ze in lange tijden gegeten heeft. Morgen misschien, als ze dan nog hier zijn.
Er is nog meer waar: dat vrachtauto's hun bagage uit de trein hebben gehaald en dat op het trottoir vóór het gebouw alles ligt uitgestald, zodat ze maar hoeven uit te zoeken. Ze vindt bijna al
208