verlaten land hadden willen bewerken en er zaad en liefde in hadden willen strooien.
Als de trein een paar ogenblikken langzaam rijdt, - hij komt haast langs geen steden en stopt ook bijna nooit, - is er een troep van deze gevangenen dichtbij de rails aan het werk. Hun kaalgeschoren hoofden zijn niet over het werk gebogen, maar geheven naar de voorbijrijdende trein, die zó vlak langs hen gaat, dat ze de sterren op de borst van de reizigers kunnen onderscheiden en dat ze begrijpen wie het zijn.
Het meisje drukt zich tegen het raam en kijkt in de magere, grauwe gezichten van de gevangenen.
Ze hebben gezichten van ver weg: hoge jukbeenderen, waarachter de ogen weg schijnen te zinken, maar niet diep genoeg, om hun fel en gevaarlijk branden te verbergen. Eén houdt haar blik vast, en als hij ziet, dat ze met haar ogen luistert, maakt hij twee bewegingen: eerst gaat zijn ene hand met een afsnijdend gebaar langs zijn keel, en dan breken zijn twee handen iets onzichtbaars door, zó heftig, dat het haar toeschijnt alsof ze iets hoort kraken.
Ze heeft het begrepen; ze schrikt ervan, dat ze het begrepen heeft. Dat, wat hem en alle anderen ongelukkig heeft gemaakt, moet de keel worden af gesneden, moet gekraakt worden. O God, ze heeft het begrepen. Ze knikt langzaam en ernstig. De gevangene knikt terug, omdat hij weet, dat zijn gebaar is opgevangen.
Haar hart klopt wild. Zou hij niet hebben gezien, dat ze pas vijftien is en dat je dan een zó grenzeloze haat niet kunt begrijpen? Maar ze heeft die haat begrepen, - dat is het verschrikkelijkste. Ze is opeens geen vijftien meer, maar oneindig oud en oneindig moe.
Ze gaat weg van het raam en kruipt, klein en verslagen, op haar plaats terug. Ze wil nu maar gaan slapen. Ze wil niet meer aan dat gezicht denken met die weggezonken, brandende ogen, -niet meer aan die afsnijdende hand, - niet meer aan die twee krakende vuisten. De trein is toch al een heel eind van hem weg. Ze wil denken aan vader en moeder, die ze weer zal zien. Wanneer? Ze rijdt naar hen toe; ze gelooft nu zeker, dat ze op weg is naar hen toe. Ze zal een briefje naar hen schrijven, zodra ze vrij is en
206